Niemand weet beter waar ons onderwijs tekortschiet dan de vrouwen en mannen die elke dag voor de klas staan. Toch hebben zij het gevoel dat ze amper worden gehoord. Daarom vroeg Knack twintig Vlaamse leerkrachten om de toekomstige minister van Onderwijs alvast advies te geven: waar moet zij of hij straks dringend werk van maken?

Politici, pedagogen, psychologen, orthopedagogen, economen: iedereen heeft tegenwoordig een mening over de gebreken van het Vlaamse onderwijs. Zeker nu steeds duidelijker blijkt dat de kwaliteit achteruitgaat. Veel minder aandacht wordt besteed aan de inzichten van de vrouwen en mannen die dag na dag ergens in Vlaanderen voor de klas staan. Als zij al eens aan de alarmbel trekken in een blog of open brief, dan worden ze in veel gevallen weggezet als behoudsgezinde brompotten. Zelfs toen kort voor de verkiezingen uit een rapport van het Rekenhof bleek dat veel leerkrachten zich zorgen maken over de gevolgen van het M-decreet, waardoor nu ook kinderen met speciale onderwijsnoden naar een gewone school mogen gaan. ‘Dat is geen wetenschappelijk onderzoek, maar louter de mening van leerkrachten’, klonk het uit verschillende hoeken.

Die mening kan nochtans tellen. Niemand staat dichter bij het Vlaamse onderwijs dan juffen en meesters, leraressen en leraren. Elke dag weer zien zij waar het systeem faalt en kinderen uit de boot dreigen te vallen. ‘Na twintig jaar weet ik perfect wat er misloopt, en ik kan ook wel een paar haalbare oplossingen verzinnen’, zei een lerares Frans vorige maand na afloop van Knacks Grote Verkiezingsdebat over onderwijs. ‘Maar niemand zit op mijn mening te wachten. Mijn directeur niet, onze onderwijskoepel niet en de politiek al helemaal niet.’ Knack wel, en dus vroegen we twintig leerkrachten uit het kleuter-, lager en secundair onderwijs waar de volgende Vlaamse minister van Onderwijs dringend werk van moet maken.

Veruit de grootste bezorgdheid blijkt het niveau van jonge leerkrachten te zijn. ‘Van sommige studenten die hier stage komen lopen, hoop ik dat ze nooit voor de klas zullen staan’, zegt Els Janssens, onderwijzeres in het basisonderwijs. Biologieleraar Carl Desmyter, die ook mentor van beginnende leerkrachten is, heeft de instroom de voorbije decennia danig zien veranderen. ‘Vroeger waren het de stérkste leerlingen die aan het eind van de middelbare school voor een loopbaan in het onderwijs kozen’, zegt hij. ‘Vandaag beginnen jonge mensen eerder aan de lerarenopleiding omdat andere richtingen niet lukken.’ Volgens veel van de leerkrachten met wie we spraken, is de lat in de lerarenopleidingen daardoor aanzienlijk verlaagd. ‘Tegenwoordig krijgen we stagiairs uit een derde bachelor die niet in staat zijn om zelfstandig een les uit te werken, didactisch noch inhoudelijk’, zegt Desmyter. ‘Toch krijgen ze een paar maanden later hun diploma.’

Geen wonder dat zo veel leerkrachten pleiten voor een hervorming van de lerarenopleiding. Al zouden sommigen ook graag zien dat de instroom beter wordt bewaakt. Niet alleen door jongeren die de capaciteiten en motivatie missen om voor de klas te staan op andere gedachten te brengen, maar vooral door sterke leerlingen duidelijk te maken dat een carrière in het onderwijs ook iets voor hen kan zijn. Uit getuigenissen van verschillende leerkrachten blijkt dat leerlingen uit de zwaarste aso-richtingen vaak wordt afgeraden om te kiezen voor een educatieve bacheloropleiding, waarmee ze les kunnen geven in het basisonderwijs of de eerste jaren van het secundair onderwijs. Dat zou ‘onder hun niveau’ zijn.

De vertegenwoordigers van Katholiek Onderwijs Vlaanderen (KOV) en het onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap (GO!), aan wie we de suggesties van ons leerkrachtenpanel voorlegden, beamen dat de kwaliteit van de lerarenopleiding samenhangt met het niveau van de instroom. ‘De studenten in de opleidingen komen niet langer uit álle bevolkingsgroepen’, zegt Lieven Boeve, directeur-generaal van KOV. ‘Het zou goed zijn om de instroom te verruimen. Zo moet er in het lager onderwijs behalve voor bachelors ook plaats zijn voor masters. Maar evengoed voor mensen met een ander diploma die leraren kunnen bijstaan en zorgen voor meer handen in de klas.’

Om gemotiveerde, sterke mensen aan te trekken, moet het lerarenberoep volgens ons panel een pak aantrekkelijker worden gemaakt. Opvallend daarbij is dat niemand pleit voor meer loon, maar wel voor meer prestige en minder stress. Verhalen over de hoge werkdruk schrikken veel jonge mensen af, waardoor de lerarenschaarste nog groter wordt. In januari waren er in Vlaamse en Brusselse scholen liefst 1500 openstaande vacatures voor leerkrachten. Het blijkt ook erg moeilijk om een vervanger te vinden als iemand langere tijd uitvalt. Vooral voor praktijklessen, wiskunde en Frans. Dat werk wordt dan over de collega’s verdeeld, waardoor zij het nog drukker krijgen. Er is dus dringend behoefte aan meer onderwijzend personeel. Zeker omdat er tegen 2028 elk jaar 5000 tot 7000 extra leraren nodig zullen zijn.

Een bijkomend probleem is dat nogal wat jonge leerkrachten na een tijd weer afhaken. In het secundair onderwijs stopt bijna de helft al binnen de vijf jaar. ‘Vaak komt dat doordat ze met de verkeerde verwachtingen aan de job zijn begonnen’, zegt Kristien Dewulf, coachingleerkracht in het buitengewoon lager onderwijs. ‘Ze komen hier aan met het idee dat ze alleen maar zullen lesgeven, en schrikken van alles wat er verder bij komt kijken.’ Dat weten ze bij het GO! maar al te goed. ‘Veel startende leerkrachten ervaren een grote praktijkschok’, zegt gedelegeerd bestuurder Raymonda Verdyck. ‘Dat zou voor een deel kunnen worden opgelost door tijdens de opleiding meer in te zetten op duaal leren, waarbij leerlingen de helft van hun opleidingstijd op de werkvloer doorbrengen. Zo maken ze kennis met de brede schoolpraktijk, en met de diversiteit van de leerlingen in onze scholen.’

De realiteit is volgens ons panel dat beginnende leerkrachten al te vaak voor de leeuwen worden geworpen. Een betere begeleiding van jonge collega’s noteert hoog op de prioriteitenlijst. Er zijn er zelfs die vinden dat ze tijdens hun eerste schooljaren alleen samen met een ervaren collega voor de klas zouden mogen staan. Geef beginnende collega’s vooral geen volledige opdracht, is een andere suggestie. Zo krijgen ze ademruimte en kan de vrijgekomen tijd voor extra opleidingen of stages worden benut.

Heel wat starters haken ook af omdat een vaste benoeming lang uitblijft. In afwachting daarvan hebben ze geen werkzekerheid en moeten ze vaak pendelen tussen verschillende scholen, wachtend tot een vastbenoemde collega met pensioen gaat. Bijna de helft van onze leerkrachten pleit voor de afschaffing van de vaste benoemingen. En niet alleen om jonge collega’s meer kansen te geven. ‘Vastbenoemd is soms synoniem met vastgeroest’, zegt Tamara Gielen, leerkracht verzorging in het bso. ‘Onze job bestaat uit veel meer dan lesgeven alleen. Hij vergt ook engagement binnen het team, aan vergaderingen deelnemen, het schoolfeest plannen. Sommige vastbenoemde collega’s vullen hun job minimaal in, en er is niemand die daar iets tegen kan beginnen.’

Bij de onderwijsnetten geloven ze niet dat de afschaffing van de vaste benoemingen veel zou oplossen. ‘Het probleem is veeleer de invulling ervan’, denkt Boeve. ‘Werkzekerheid mag geen alibi zijn om achterover te leunen. Een vaste benoeming biedt leerkrachten houvast waardoor ze in hun job nieuwe uitdagingen kunnen aangaan.’ Ook Verdyck ziet eerder soelaas in andere maatregelen. ‘Zoals een betere organisatie van de school’, zegt ze. ‘Meer zekerheid en betere werkomstandigheden zijn zowel voor beginnende leerkrachten als voor zij-instromers (mensen die van buiten het onderwijs komen, nvdr) noodzakelijk.’

Ook de hoge werkdruk schrikt veel jonge mensen af. Daar kan ons panel best begrip voor opbrengen. ‘Vandaag moet een leerkracht differentiëren, persoonlijke feedback geven, verschillende werkvormen gebruiken en dan ook nog eens zorgen dat de bijbehorende administratie in orde is’, zegt geschiedenisleraar Gerd Van de Kauter. ‘En dat moet allemaal passen binnen evenveel uren als in de tijd dat het onderwijs er nog helemaal anders uitzag.’

Hoe dat moet worden verholpen? Door de administratieve taken binnen de perken te houden, vinden de meesten. Vorig jaar bleek uit een groot tijdsbestedingsonderzoek dat de Vrije Universiteit Brussel op verzoek van Vlaams minister van Onderwijs Hilde Crevits (CD&V) uitvoerde dat Vlaamse leerkrachten maar 60 à 70 procent van hun werktijd besteden aan lesgeven, verbeteren, lesvoorbereidingen maken, teamoverleg en oudercontact. De rest van de tijd gaat onder meer op aan administratie en de organisatie van de schoolorganisatie.

Sommige leerkrachten zien een rechtstreeks verband tussen de steeds grotere papierberg en de vernieuwingsdrang van de onderwijskoepels. Al die nieuwe ideeën en opdrachten vergen veel voorbereiding en moeten achteraf ook nog eens gerapporteerd en geëvalueerd worden. Drie van hen pleiten zelfs voor het afschaffen of deels fuseren van de koepels. ‘De vernieuwingsdrang wordt in de hand gewerkt door de concurrentie tussen de koepels, die elkaar de loef proberen af te steken met nieuwe leerplannen’, klinkt het. ‘Bovendien slorpen die aparte structuren ontzettend veel middelen op.’

Net als de onderwijsnetten hopen veel leerkrachten dat de nieuwe Vlaamse minister van Onderwijs het M-decreet zal aanpassen. Allemaal staan ze achter het basisidee dat kinderen met speciale noden in het gewone onderwijs terecht moeten kunnen, maar op het terrein zien ze het fout lopen. ‘De uitvoering van het M-decreet zit scheef’, zegt kleuterjuf Ingrid Mellebeek. ‘Via een zogenaamd Ondersteuningsnetwerk krijgen we elke week twee à drie uur bijstand in de klas, maar dat is veel te weinig. Sommige M- decreet-kinderen hebben een permanente omkadering nodig.’

Daarbij komt nog dat niet alleen leerlingen die via het M-decreet bij hen in de klas zijn beland extra aandacht nodig hebben. Een leerkracht bso somt de samenstelling van een van haar klassen op: twee leerlingen met een autismespectrumstoornis, drie met dyslexie, twee die zich na de middag niet meer kunnen concentreren omdat ze met een lege boterhammendoos naar school komen, eentje dat zwaar lijdt onder de vechtscheiding van haar ouders, drie met ADHD en dan nog een paar die amper kunnen spellen. Vooral leerkrachten uit het tso en het bso geven aan dat zo’n klas te veel is voor één mens. ‘Als je al die leerlingen zorg op maat biedt, blijft er geen tijd over voor de rest’, klinkt het. En ook opvallend vaak: ‘Daar zijn wij niet voor opgeleid.’

Er zijn dus duidelijk grenzen aan differentiatie. Zeker als het niveau tussen de leerlingen in een klasgroep mijlenver uiteen ligt, zoals in het bso geregeld het geval is. Voor een groot deel van ons panel zou er in dat geval meer dan één leerkracht voor de klas moeten staan. Er gaan zelfs stemmen op om co-teaching overal in het onderwijs in te voeren. Anderen zien eerder heil in kleinere klasgroepen. Of allebei. ‘In de lagere school denk ik aan klassen met maximaal achttien leerlingen aan wie twee leerkrachten lesgeven’, zegt lerares Nederlands en Engels Hildegarde Goubert. Maar zelfs dan zullen nog niet alle leerlingen in het gewone onderwijs terechtkunnen, denken velen.

Onze leerkrachten mogen het over het algemeen dan opvallend met elkaar eens zijn, de onderwijsnetten delen niet altijd hun analyse en nog minder de oplossingen die ze voorstellen. Veel zal afhangen van wie straks de bevoegdheid onderwijs krijgt in de Vlaamse regering. ‘Of het een man of vrouw wordt, maakt me niet uit. Zelfs de politieke kleur is van ondergeschikt belang’, zei de lerares Frans nog na het onderwijsdebat van Knack . ‘Als hij of zij maar iets van ons wil leren. Mensen iets aanleren is uiteindelijk wat we het beste kunnen.’

Door ANN PEUTEMAN en Erik Raspoet

 

Welkom bij CD&V. Onze websites maken gebruik van cookies om jouw gebruikservaring te optimaliseren. Lees onze Cookies Policy voor meer informatie. Ons cookiebeleid en deze voorkeuren gelden voor alle CD&V-websites. Door op 'Akkoord' te klikken, ga je akkoord met de geselecteerde cookies.