11 december 2017

Moeten kinderen echt nog alles vanbuiten leren?

 

Wat brengt dat nu eigenlijk nog op? Al die formules, die hoofdsteden, die historische data die deze examenperiode weer in die tere kinderhersentjes worden gedramd. Ze vergeten het toch. En later, als ze groot zijn, zoeken ze het gewoon op met hun smartphone. Dat vanbuiten leren, is dat nu echt nog van deze tijd? “Jazeker”, zeggen experts. “Het is zelfs meer dan ooit nodig. Als je in dit informatietijdperk niet kan terugvallen op je eigen kritische brein, dan hang je.”

Vraag 1.Vul in:

6 x 7 = …

9 x 8 = …

4 x 9 = …

Ze zijn erin gedreund. Met liedjes, met verzen, ondersteboven en achterstevoren. Niks zit zo in ons brein verankerd als de tafels van vermenigvuldiging. Vreemd eigenlijk. Want je kan ze altijd en overal intikken op een rekenmachine. Is het dan wel nodig om er ruimte voor te gebruiken op onze eigen harde schijf?

“Volmondig ja”, zegt professor Wim Van den Broeck, cognitief psycholoog aan de VUB. “Kennis is cumulatief. Dat wil zeggen: je kan pas meer kennis vergaren als het op iets anders komt. Zie het als een piramide: eerst leg je de onderste laag stenen, dan pas kan je naar boven. Bij wiskunde zijn de tafels die onderste laag: absoluut noodzakelijk.”

Als je elke vermenigvuldiging met een rekenmachine doet, dan blijf je wat onhandig prutsen aan die onderste laag. “Bovendien is er nóg een voordeel aan het vanbuiten leren: je krijgt inzicht in het systeem”, zegt Van den Broeck. “Als je weet: 3 x 8 is 24, en 4 x 6 is 24, dan begrijp je wiskunde, leg je impliciete verbanden. Hetzelfde geldt voor wetenschappelijke formules. Waarom was Einstein zo geniaal? Omdat al die bouwstenen in zijn hoofd zaten, en hij speelde met het systeem.”

“Zo ontstaat ook creativiteit. We hebben een heel romantisch idee van het concept creativiteit, alsof het iets is dat in begenadigde momenten plots ontstaat. Dat is fout. Je kan pas creatief zijn als er goede fundamenten zijn. Kim Clijsters heeft ook eerst jaren dezelfde basisslag moeten oefenen, voor ze daar iets geniaals mee kon doen.” Ook bij musici is dat zo: uit hersenscans blijkt dat vioolvirtuozen een kleiner deel van hun brein gebruiken dan amateurspelers, omdat ze meer op automatische piloot spelen. En dus is er meer ruimte om boven de anderen uit te stijgen.

Vraag 2.Wat is de hoofdstad van:

Kroatië: …

Peru: …

Ethiopië: …

Oké. Basiskennis is nodig. Maar wat is basiskennis? Brengt het op om alle hoofdsteden vanbuiten te leren of alle Belgische steden te kunnen situeren op een blinde kaart, als je een gps hebt?

“Ja”, zegt pedagoog Pedro De ­Bruyckere, auteur van het nieuwe boek Klaskit, dat tools aanreikt om ­efficiënt les te geven. “Want zo bouw je een referentiekader op. Hoe ziet de wereld eruit? Hoe ver is Parijs? Ligt Antwerpen over het water? Je zou kunnen zeggen: al dat denkwerk wordt nu gedaan door een gps. Maar dat klopt niet. Remember een skibus van Studio Brussel die enkele jaren geleden naar La Plagne moest. Hij kwam uit in La Plagne in de Pyre­neeën, in plaats van in het skistation in de Alpen. 650 km verkeerd.”

Je kan dus niet puur op computers vertrouwen. Doe de test: tik “Luther” in op de Engelstalige versie van Google. Van de eerste tien links gaan er acht over de Britse tv-serie met Idris Elba, en er verschijnt een foto van de zwarte acteur. Zonder referentie­kader zou je denken dat het tv-personage belangrijker is dan de Luther die het protestantisme ontketende.

Vraag 3: Vul het juiste jaartal in:

Slag bij Waterloo: …

Kroning Karel De Grote: …

Moord op JFK: …

Om alle informatie op het internet te toetsen, zou ons referentiekader oneindig groot moeten zijn. Onmogelijk natuurlijk. Dus is de vraag: welk referentiekader is echt belangrijk voor onze kinderen? Historische data zijn daarbij interessant. Is 1302 écht een belangrijke datum? Of is 1581 - toen de Noordelijke Nederlanden zich afscheidden van de Zuidelijke - historisch veel belangrijker?

“Daar komen we in het vaarwater van de eindtermen”, zegt De Bruyckere. “Wat is belangrijk? Dat is een cultureel gegeven, dat fluctueert. In Nederland bijvoorbeeld heeft nog niemand van 1302 gehoord. En kennen ze veel minder over Wereldoorlog I, want die heeft daar niet gewoed. Is dat een probleem? Neen, het is een keuze.”

Zo'n discussie werd tien jaar lang gevoerd over de nieuwe eindtermen, tot minister van Onderwijs Hilde Crevits (CD&V) eind oktober een doorbraak forceerde. De eindtermen zijn er nu, een nieuw referentiekader ook. “Maar we moeten blijven discus­siëren”, vindt Bieke De ­Fraine, professor onderwijskunde aan de KU Leuven. “Want de noodzakelijke kennis verandert constant. Elf jaar geleden was er nog geen smartphone, dus was daar ook geen kennis over nodig. Nu is dat wel even anders.”

Vraag 4:Vul aan:

Dag ventje met de fiets op de vaas met de bloem…

Eindtermen tot daar. Maar moet je vanbuiten leren om vanbuiten te leren? Ploemploemploem van Paul van Ostaijen, draagt dat nu iets bij tot je referentiekader?

“Zeker”, zegt Wim Van den Broeck. “Zo ontwikkel je taalgevoel, oefen je op klank, ritme, intonatie. Vanbuiten leren is geen kindermishandeling, hé! De meeste kinderen zeggen graag hun nieuwjaarsbrief op. En zingen graag samen liedjes - zo jammer dat dat niet meer gedaan wordt tegenwoordig! Zo trainen ze hun focus, hun taal, …”

Vraag 5:Vul aan:

Wees gegroet Maria,

Vol van genade…

Een weesgegroetje hebben we nooit met intonatie opgezegd. We ratelden het zo snel mogelijk af omdat het moest. Maar dat waren andere tijden. Als je niet-katholiek wordt opgevoed, heeft een weesgegroetje dan nog zin?

“Dat moet je aan een leerkracht godsdienst vragen”, zegt Bieke De Fraine ­diplomatisch. “Maar het klopt: van sommige zaken is men afgestapt. Zoals de verklarende woordenlijsten: vroeger werden lange lijsten met moeilijke woorden vanbuiten geblokt. Vandaag gaan we kinderen het woord apotheose eerder leren gebruiken in een zin.”

Kortom: de kostschoolmentaliteit is intussen verdwenen uit ons onderwijs. Blokken om te blokken is passé: “650 schilderijen vanbuiten leren voor één examen kunstgeschiedenis, dat heeft weinig nut”, zegt De Fraine. “Maar tegelijk stappen steeds meer docenten af van het openboekexamen. Studenten mispakken zich daar toch aan. Als je op het examen zelf nog de leerstof moet analyseren, verdrink je erin.”

Vraag 6:Ja of neen:

Is de Holocaust echt gebeurd?…

Eind 2016 was er grote opschudding, toen bleek wat er gebeurde als je “ Did the Holocaust really happen?” intikte op Google. De eerste drie antwoorden waren: neen, volgens negationistische websites. “Het maakte één ding heel duidelijk”, zegt De Bruyckere. “De opvatting dat kinderen minder vanbuiten moeten leren en vooral bronnenkritiek moeten leren, klopt niet. Je mag hier nog zoveel bronnenkritiek toepassen als je wil; zonder referentiekader hang je. Dus ja, vanbuiten leren is nodig. Volgens sommigen zelfs meer dan ooit, door de overvloed aan informatie die ons bereikt.”

Is ons onderwijs dan goed bezig? In vergelijking met buurlanden als Frankrijk en Nederland wel, zegt De Bruyckere. “We zijn vaak als oubollig aanzien, te veel gericht op kennis en feiten. Maar de laatste jaren blijkt dat dan toch nog niet zo slecht.” Al zijn er volgens Bieke De Fraine wel grote verschillen tussen de Vlaamse scholen. “Er zijn best veel leerkrachten die denken dat vanbuiten leren niet meer van deze tijd is. We mogen deze boodschap dus zeker een paar keer herhalen. Zoals de leerstof eigenlijk.”

Tekst: Bert Heyvaert

Inhoud ↑

Categorie: 
 

Volg mij ook via

twitter

Foto's op Flickr

www.flickr.com
hilde.crevits' items Go tohilde.crevits' photostream