5 maart 2018

Hoe sociaal is de mix?

 

Nog liever zal een weldenkend politicus een moord bekennen, dan dat zij (of hij) het ideaal van de sociale mix in het onderwijs in vraag stelt. Maar hoe effectief is dat mixen eigenlijk?

"De sociale mix is wel belangrijk". Natuurlijk zei minister van Onderwijs Hilde Crevits (CD&V) dat in deze krant ook weer. Enige verduidelijking was nodig nadat de minister, volgens De Standaard een dag eerder, had laten uitschijnen dat ze de zogenaamde 'dubbele contingentering' bij het inschrijven op school, wil begraven.

Die dubbele lijst moet ervoor zorgen dat bij een veralgemeend inschrijvingssysteem (dat er nu nog niet is), op elke school voldoende plaatsen gereserveerd blijven voor kinderen van diverse sociale afkomst. Het systeem is betwist, omdat het te ingewikkeld zou zijn en de vrije schoolkeuze fnuikt.

Maar het ideaal van de sociale mix wordt zelf niet in vraag gesteld. Dat is best raar, want het empirische bewijs dat zo'n mix onderwijsprestaties vooruithelpt, is lang niet eensluidend.

Kamperen

Er is weinig dat zo naar de kern gaat van wat ouders als hun opvoedkundige taak beschouwen als het vinden van een geschikte opleiding voor de kroost. Dat ligt dus gevoelig. De toegangscriteria waarmee de overheid de vrije schoolkeuze begeleidt, luisteren nauw.

Toch is begeleiding nodig. Scholen die leerlingen aannemen volgens het aloude 'eerst gekomen, eerst geholpen'-principe bevoordelen ouders met een sterk informeel netwerk en snelle toegang tot de juiste informatie. Dat zie je ook nu weer op de plekken waar ouders noodgedwongen kamperen voor de schoolpoorten. Om de kans bij het inschrijven gelijk te trekken, is een centraal aanmeldingsregister dus een goede zaak.

Maar hoe moet de verdere verdeling dan geschieden? Terecht maakt de overheid er een punt van dat scholen best min of meer een afspiegeling zijn van de buurt waarin ze gevestigd zijn. Het is aannemelijk dat het ook voor de ontwikkeling van kinderen goed is dat er geen al te groot contrast zit tussen de wereld binnen en buiten de schoolmuren.

Er is wel een verschil tussen afspiegeling en sociale mix. Het eerste betekent dat de schoolpopulatie zowat dezelfde sociale kenmerken heeft als de omliggende buurt. Het tweede wil zeggen dat elke school in min of meer gelijke mate een sociale doorsnee biedt van de bevolking. Dat gaat veel verder.

Paternalisme

Nieuw is het ideaal van de sociale mix allerminst. Het eerste pleidooi voor meer vermenging van alle lagen van de bevolking komt uit de negentiende eeuw. Het was in beginsel ook geen progressieve gedachte. Het draagt de vingerafdrukken van een paternalistisch conservatisme.

De industrialisering lokt 200 jaar geleden plattelanders naar de grote steden. Daar zoeken ze elkaars gezelschap in arbeiderswijken. Om dat af te remmen, bepleiten conservatieve stemmen meer sociale mix in het woonbeleid. Op die manier kunnen lager opgeleiden zich optrekken aan het goede voorbeeld van hun buren uit de middenklasse, heet het. Tegelijk kan er zo een oogje in het zeil gehouden worden en wordt de neiging tot samenscholing en revolte wat getemperd.

Maar ook progressieven zien een kans om hun maatschappij-ideaal te projecteren op de sociale mix. Die moet de integratie in een diverse, multiculturele samenleving bevorderen. Vanaf de jaren 70, wanneer de gevolgen van arbeidsmigratie en economische crisis samenkomen, wordt dat een belangrijk argument.

Dat is het tot vandaag gebleven. Zeker in het stedenbeleid blijft het ideaalbeeld vooropstaan van burgers die door naast elkaar te wonen ook nader tot elkaar komen.

Alleen, zo werkt het blijkbaar niet. Europees onderzoek uit 2015 laat zien dat rijkere en armere bevolkingsgroepen juist almaar verder uit elkaar gaan wonen in de grote steden, van Madrid tot Tallinn. Ook op de microschaal van het persoonlijke contact blijft de segregatie behoorlijk intact, ondanks alle inspanningen. Nederlands onderzoek uit 2015 toont aan dat samen op school zitten niet automatisch leidt tot hechte vriendschapsbanden over de grenzen van afkomst en klasse heen.

Het is, met andere woorden, niet omdat Louise en Samira in dezelfde klas zitten dat ze per se eeuwige beste vriendinnetjes worden. Er zijn natuurlijk uitzonderingen, maar iedereen met ervaring in een diverse buurtschool weet hoe lastig de grenzen soms te slopen zijn.

Mattheuseffect

Is dat erg? Niet per se. Zeker de jongste jaren is de wetenschappelijke consensus over de wenselijkheid van een sociale mix afgebrokkeld. Om niet te zeggen dat de kritiek tegenwoordig feller klinkt dan de aanbevelingen.

Die kritiek komt bijlange niet alleen uit de conservatieve hoek. Bij ons laat stadssocioloog Stijn Oosterlynck (UA) bijvoorbeeld al jarenlang een belangrijk tegengeluid horen. Het enige bewezen voordeel van een sociale mix in het woonbeleid, meent hij, is dat de stadskas er beter van wordt. "Door middenklassers aan te trekken in een armere buurt, vergroot je het fiscale draagvlak in de gemeente. Tegelijk krijg je de indruk dat de buurt een leefbaardere plek biedt", vertelt hij al in 2014 in deze krant. "Alleen, de veronderstelde voordelen voor de buurtbewoners volgen helemaal niet. Ze krijgen niet plots beter werk, hun kinderen halen geen betere schoolresultaten en ze leiden geen gezonder leven."

Dit is het kernargument tegen het belang van een sociale mix: het is de foute prioriteit. Niet dat rijkere en armere burgers ver van elkaar wonen is het probleem, wel de grote mate van ongelijkheid zelf. Inzet op meer sociale vermenging verandert niets aan de armoedecijfers.

Alweer loert het mattheuseffect om de hoek. Het is de middenklasse, die met voordelen allerhande naar de oude stadswijken wordt gelokt, die de bonus van de sociale mix inpikt. De lagere klassen hebben er niks aan, als ze er al niet bij verliezen. Dat heet gentrificatie: een middenklassegezin dat, met de beste bedoelingen, een herenhuis met vier verdiepingen in een oude stadswijk op de kop weet te tikken, neemt de plaats in van vier armere gezinnen die er vroeger elk een verdieping konden huren.

Middenklassescholen

In het onderwijs, zullen verdedigers opmerken, werkt het juist omgekeerd. Daar dient de sociale mix om kinderen van lager opgeleide ouders een plaatsje te gunnen op de homogene middenklassescholen.

De wenselijkheid van meer sociale vermenging in het onderwijs is een aandachtspunt sinds het baanbrekende onderzoek van de Amerikaanse socioloog James Coleman uit 1966. Hij kwam tot de ontnuchterende vaststelling dat de ongelijke schoolprestaties van kinderen uit de hogere en lagere klassen (in de VS was dat zeker toen ook nog een raciale kloof) niet bepaald werden door een verschil in schoolinfrastructuur of financiering.

Wat wel meespeelt: wie er samen in de klas zit. "De resultaten geven aan dat de prestaties van een kind, zeker van een arbeiderskind, positief beïnvloed worden door het feit dat het naar school gaat met kinderen met een andere achtergrond", besluit Coleman.

Dat is helaas maar de helft van het verhaal. Wat Coleman ook aantoont, is dat geen enkele factor zo bepalend is voor de schoolprestaties als de thuissituatie van kinderen.

Het is een conclusie die, meer dan 50 jaar later, nog altijd even urgent is voor het Vlaamse onderwijs. Uit het recentste PISA-onderzoek blijkt dat de prestatiekloof tussen top en achterhoede nog verbreedt. Die kloof blijkt dan ook nog eens sterk gekleurd door de thuissituatie en taalkennis van de ouders.

Opnieuw dreigt van sociale mix een wondermiddel gemaakt te worden dat het niet is. Het is een - mooie - illusie dat beter mixen de ongelijke onderwijskansen afdoende uit de wereld helpt, laat staan dat het maatschappelijke ongelijkheid wegwerkt. Het kan ook een riskante illusie zijn omdat ze aandacht afleidt van de kern van de zaak.

Theoretisch zou je kunnen aannemen dat juist concentratiescholen de schoolprestaties bevorderen. In zo'n omgeving zouden de sociale en onderwijskundige problemen van de doelgroep gefocust aangepakt kunnen worden. Schaalgrootte zou dan de effectiviteit van de maatregelen kunnen bevorderen.

Dat zou dan wel vereisen dat zulke concentratiescholen gericht het meest diverse, best gekwalificeerde, meest gemotiveerde en bestbetaalde personeel kunnen aantrekken. De huidige stand van het beleid laat dat niet toe.

Zo komen we bij essentie: de grote kwaliteitsverschillen tussen scholen onderling. Niet het feit dat kinderen van diverse afkomst te ver uit elkaar zitten is het probleem, wel het feit dat er een te ongelijke kwaliteit is in de scholen. Als enkel een sociale mix kan garanderen dat ook kinderen uit lagere klassen een goede plek op school krijgen, dan is schaarste van goede plekken de fundamentele kwestie.

Dat kwaliteitsverschil blijft het grote taboe. Over de verschillen bestaan amper openbare en objectieve cijfers. Alles blijft netjes verstopt onder het brede tapijt van de vrijheid van onderwijs.

Er zijn vele uitstekende scholen in Vlaanderen, van alle types. Maar er zijn er ook waar het allemaal wat minder is. Dat zijn, voor alle duidelijkheid, niet noodzakelijk concentratiescholen. Vaak zelfs integendeel. Dat verschil (en de late reactie van de overheid op demografische ontwikkelingen in de randstad) verklaart waarom ouders staan te drummen voor deze of gene schoolpoort en gefrustreerd raken wanneer het inschrijvingssysteem hun keuze belemmert.

Als een schoolpopulatie die de buurt weerspiegelt het ideaal is, is er geen objectiever en eerlijker criterium denkbaar bij gelijke inschrijvingskansen dan afstand tussen school en woonst. De norm is dan de buurt, niet de algemene verhouding tussen gezinnen van hogere of lagere komaf.

Het probleem blijft evenwel dat sommige mensen dan het slachtoffer dreigen te worden van het loutere feit dat ze dichter bij een minder goed aangeschreven school wonen. En dat er weinig beleidsmiddelen zijn om te verhinderen dat de scholen met de meest comfortabele positie ook de beste leerkrachten aantrekken.

Buurten segregeren

Ook de voorstanders van sociale mix als onderscheidend criterium bij inschrijvingen erkennen impliciet dat het kalf daar gebonden ligt. In De Standaard voorspelt onderwijsonderzoeker Thomas Wouters (KU Leuven) "dat ouders hun woonkeuze sterker zullen afstemmen op hun schoolkeuze", als afstand doorslaggevend wordt. "Het resultaat is dat buurten, en op hun beurt opnieuw de scholen, verder zullen segregeren." Dat kan enkel kloppen als er een te vermarkten verschil is tussen goede en minder goede scholen.

Het is goed dat minister Crevits doorduwt voor een veralgemeend en zo fair mogelijk inschrijvingssysteem. Maar het einddoel is pas bereikt als ouders niet bang moeten afwachten of het lot, de computer of Google Maps hun kinderen al dan niet tot een van de betere scholen zullen toelaten. Als de lat hoger moet, dan zeker ook voor sommige scholen.

BART EECKHOUT

Inhoud ↑

Categorie: 
 

Volg mij ook via

twitter

Foto's op Flickr

www.flickr.com
hilde.crevits' items Go tohilde.crevits' photostream