Discriminatie op de arbeidsmarkt is een oud zeer. Het is niet alleen onethisch, het is ook economisch nefast, want veel talent gaat verloren.

Om het fenomeen in kaart te kunnen brengen, vragen academici al jaren praktijktests. De politiek is daarover diep verdeeld. De ene partij wil er niets van weten, de andere wil verdergaan en op basis van die tests ook bedrijven sanctioneren. Het dossier groeide uit tot de grootste ideologische splijtzwam in de Vlaamse politiek. Pas onlangs kwam er een doorbraak. Op 20 april sloot Vlaams minister van Werk Hilde Crevits (CD&V) een akkoord met 33 economische sectoren, van kappers over horeca tot elektriciens en kleinhandel, om discriminatie te meten via valse sollicitaties (DS Avond 20 april)

Het woord ‘praktijktests' bleek te beladen, dus gaat het voortaan over ‘correspondentietests', waaraan geen sancties verbonden zijn. Toch was de kritiek vanuit de hoek van de werkgevers striemend. De tijd die ondernemers verspillen aan antwoorden op valse sollicitaties, kunnen ze niet besteden aan hun bedrijf en hun gezin. De intentie erachter mag dan nobel zijn, in de praktijk bedotten ze de burger. En mochten er toch sancties aan verbonden worden, dan dringt zich de vraag op of de overheid zich niet schuldig maakt aan uitlokking.

Op sociale media jammerden werkgevers dat de correspondentietests hen onterecht stigmatiseren, terwijl nepsollicitaties beantwoorden nu al veel tijd kost. Dat is nota bene een gevolg van overheidsbeleid. Lang niet elke langdurig werkloze wil dolgraag opnieuw aan de slag. Het activeringsbeleid van de Vlaamse overheid verplicht werkonwilligen ertoe om maandelijks geweigerde sollicitaties voor te leggen, anders dreigt hun uitkering geschorst te worden. De afgelopen jaren kwam zo een gestage stroom aan niet-oprechte sollicitaties op gang, wat ondernemers mateloos irriteert.

Er bestaat niet zoiets als een ‘recht' op tewerkstelling. Toch lijkt dat het uitgangspunt te zijn

Meer fundamenteel moeten we ons de vraag durven te stellen of het wel opportuun is dat de overheid zich bemoeit met de aanwervingskeuzes van private ondernemers. Zoals elke overeenkomst berust ook een arbeidscontract op de vrije instemming van twee partijen. Elke werknemer is vrij om gelijk welk jobaanbod te aanvaarden of te weigeren en mag ook vrij van werkgever wisselen als een andere hem betere voorwaarden biedt. Waarom zou een werkgever dan niet vrij mogen kiezen wie hij als medewerker aanvaardt? Anders gesteld: wie met wie in zee gaat, daar hoeft de staat zich niet mee te bemoeien.

Er bestaat niet zoiets als een ‘recht' op tewerkstelling. Toch lijkt net dat het uitgangspunt te zijn van de antidiscriminatiepolitiek die sommigen nastreven in de private sector. Ze willen ‘gelijke kansen' afdwingen op de arbeidsmarkt, maar hoe goedbedoeld ook, dat streven is onzinnig. Elke aanwerving is namelijk op zich het product van een zekere vorm van discriminatie. Werkgevers kiezen de ene kandidaat boven de andere, omdat ze de ene geschikter achten dan de andere, op basis van een inschatting die zowel objectief als subjectief is. Om de simpele reden dat de arbeidsmarkt een vrije markt is, zal er nooit gelijkheid van kansen bestaan, hoe jammer we dat met zijn allen ook kunnen vinden.

Te weinig mensen in de politiek durven het aan om de logische consequentie daarvan onder woorden te brengen: private werkgevers mogen zelf hun team van medewerkers samenstellen, geheel naar eigen inzicht, omdat zij als enigen het financiële risico daarvoor dragen. Arbeidscontracten afsluiten behoort tot hun individuele vrijheid. Dat sommigen die vrijheid misbruiken om te discrimineren, is inderdaad onrechtvaardig en onverantwoord, maar de politiek is niet bij machte om dat probleem doeltreffend aan te pakken, laat staan uit de wereld te helpen.

Die realistische boodschap horen we veel te weinig, omdat angst overheerst in de politiek. Politici zijn er als de dood voor om bestempeld te worden als mensen die racisme niet ernstig nemen, terwijl dat naast de kwestie is in dit debat. De werkelijke inzet hier is niet racisme, maar de individuele vrijheid en de afbakening van de macht van de staat. Willen we ook morgen nog in een vrij land leven, dan moeten we als samenleving dringend afleren om elk maatschappelijk probleem te lijf te gaan met wetten, reglementen, inspecties en boetes. Het is in de eerste plaats de maatschappij zelf die zulke problemen moet aanpakken, door in te zitten op bewustwording.

Joren Vermeersch is jurist, historicus en auteur. Hij is eerste opvolger voor de N-VA voor de Kamer, West-Vlaanderen, en schrijft in eigen naam. Zijn column verschijnt tweewekelijks op maandag.

https://www.standaard.be/cnt/dmf20210502_97515883

Inhoud ↑