Terwijl Limburgse bedrijven onderzoeken hoe de Einstein Telescoop ter waarde van 1,9 miljard euro gebouwd kan worden, is het wachten op geld van de overheid. Nederland maakte 900 miljoen euro vrij om vanuit Limburg tot diep in de ruimte te kijken.

‘Als klanten me naar oplossingen vragen voor problemen waar al machines voor bestaan, pas ik liever.’ Voor Jef Hoste van de Limburgse machinebouwer Werkhuizen Hengelhoef mag het werk wat uitdagend zijn. Toen hij via de Provinciale Ontwikkelingsmaatschappij Limburg hoorde dat Europa overweegt een ondergronds observatorium voor de ruimte te bouwen op het drielandenpunt tussen België, Nederland en Duitsland, was hij getriggerd. ‘Daar wil ik aan meewerken.’

De Einstein Telescoop, niet toevallig afgekort ET, is een van de meest ambitieuze wetenschappelijke projecten van Europa. Het observatorium, dat 250 meter onder de grond komt te liggen, moet helpen zwaarte­krachtgolven te detecteren waardoor wetenschappers dieper dan ooit tevoren in de ruimte kunnen kijken.

Zwaartekrachtgolven ontstaan wanneer twee hemellichamen, zoals zwarte gaten, op elkaar botsen. Die botsing leidt tot een rimpeling in de ruimtetijd. De bekende natuurkundige Albert Einstein voorspelde het fenomeen in 1916. De effecten van zo’n botsing zijn op aarde zo moeilijk te meten dat we daar pas in 2015 voor het eerst in slaagden. Met de huidige apparatuur zien wetenschappers ongeveer één rimpeling per week. De Einstein Telescoop moet honderden waarnemingen per dag opleveren.

De bouw van het project wordt geraamd op ongeveer 2 miljard euro. Om de kosten te delen werkt België samen met Duitsland en Nederland aan een dossier om de Einstein Teles­coop in de buurt van het drielandenpunt te realiseren. Ook het Italiaanse eiland Sardinië dingt mee naar het project. Tegen 2025 wordt een beslissing van Europa verwacht. Het gelobby is volop aan de gang.

‘We zitten op dit moment in de engineering fase’, zegt Nick van Remortel, professor fysica aan de Universiteit Antwerpen. Ook de universiteiten van Luik en Leuven, met onder anderen natuurkundige Thomas Hertog, werken samen aan het project. De eerste blauwdrukken voor de constructie worden voor­bereid, ook risico’s en kosten worden onder de loep genomen. Zowel in Nederland, Duitsland als in ons land worden samenwerkingen opgezet tussen de academische wereld en de industrie om de bouw van het observatorium voor te bereiden.

‘De mensen die het concept van de telescoop hebben uitgedacht, zijn zonder enige twijfel erg slim,’ zegt Hoste, ‘maar wetenschappers hebben niet altijd de vereiste technische kennis om in te schatten wat er mogelijk is in de realiteit.’ Zo is er voor de bouw van de Einstein Telescoop 120 kilometer aan roestvrij stalen buizen nodig die vacuüm gezogen worden. Ze moeten perfect op elkaar aansluiten en er mogen geen stukjes loskomen. Anders worden de metingen, die met behulp van lasertechnologie gebeuren, beïnvloed.

Hoe bouw je zo’n betrouwbaar buizennetwerk meer dan 200 meter onder de grond? Werkhuizen Hengel­hoe f voert in samenwerking met FEF, een onderzoeksgroep uit Aken, een studie uit naar de haalbaarheid van de productie van de stalen buizen via een mobiele site ter plaatse onder de grond. ‘Op die manier kunnen we de kans op potentiële lekken verkleinen, maar ook de transportkosten uitsparen’, zegt Hoste. Ook Aperam, de beursgenoteerde producent van roestvrij staal, is al in het project betrokken.

De Nederlandse regering maakte half april bekend dat ze 42 miljoen euro heeft vrijgemaakt om voor­onderzoeken te ondersteunen. Daarnaast reserveerde ze nog eens 870 miljoen euro voor de constructie van de Einstein Telescoop.

Het project draait namelijk niet alleen om het wetenschappelijke prestige. Het economisch potentieel en de boost die zo’n project kan geven aan technologische innovatie spelen een even belangrijke rol. Een impact­studie uit 2018 schat de directe economische return in eerste instantie op 3 miljard euro. Er staan 1.500 jobs op het spel, honderden miljoenen aan contracten voor lokale bedrijven en een boom aan technologische innovatie.

‘In Vlaanderen is die urgentie nog niet aanwezig’, zegt van Remortel. ‘In de gesprekken die ik momenteel voer, gaat het om bedragen van tientallen miljoenen. Dat is peanuts in vergelijking met wat onze noorderburen doen.’

Vlaams minister van Innovatie Hilde Crevits (CD&V) stelde eind vorig jaar een projectmanager aan om het dossier zowel financieel, juridisch als technisch voor te bereiden. ‘Hoe de finale financiering er langs onze kant zal uitzien, bekijken we na die voorbereidingen’, klinkt het op haar kabinet. Uiteindelijk is het de bedoeling dat België, Nederland en Duitsland samen een finaal financieringsbod opstellen. ‘Er zijn ook andere landen geïnteresseerd om mee te stappen in dit project.’

Professor Fysica UAntwerpen - Freek Evers