De lokale besturen hebben hun meerjarenplannen ingediend. De plannen vormen de basis voor het beleid van de lokale besturen gedurende de komende zes jaar en geven een globaal inzicht in de beleidsdoelstellingen van gemeenten en de financiële vertaling ervan.
“Ondanks de bezorgdheden en financiële uitdagingen worden de komende periode iets meer dan 17 miljard euro aan investeringen opgenomen. Dat is ongeveer een vijfde meer dan in de vorige legislatuur, waarin de investeringen toen samen werden geraamd op iets meer dan 14 miljard euro. Mede dankzij de duurzame financiering vanuit Vlaanderen, slagen de lokale besturen er dus in om hun investeringen op peil te houden, met onder andere grote uitgaven op vlak van veiligheid. De geplande uitgaven voor veiligheid stijgen met meer dan een derde tegenover vorige bestuursperiode.” – Hilde Crevits, Vlaams minister van Binnenland
De nieuwe lokale en provinciale bestuursploegen maakten afgelopen maanden hun beleids- en financiële planning voor de komende jaren op. Concreet beschrijven en verankeren ze hun beleidsdoelstellingen en de nodige middelen in het meerjarenplan voor de periode van 2026 tot en met 2031.
Structureel evenwicht tegen 2031
De (geraamde) autofinancieringsmarge in 2031 toont alvast aan dat alle Vlaamse gemeenten de ambitie hebben om eind deze legislatuur de rekening op orde te hebben. Dit betekent dat alle lokale besturen hun gepland beleid zullen kunnen financieren. De autofinancieringsmarge kan gedurende de planningsperiode tijdelijk negatief zijn, bij 50 gemeenten is dat in 2026 het geval. De enige voorwaarde vanuit Vlaanderen is dat gemeenten tegen het einde van de legislatuur opnieuw een positieve autofinancieringsmarge hebben. Dit moet voorkomen dat een lokaal bestuur in een situatie terechtkomt waarin het de structurele uitgaven niet langer kan dekken met de structurele inkomsten.
Veiligheidszorg in top 3 uitgaven
De analyse van de meerjarenplannen (laatste update: 280 ingediende MJP) geeft een beeld van de uitgaven van de gemeenten per beleidsdomein. Komende periode worden er voor iets meer dan 17 miljard euro aan investeringen opgenomen. Dat is ongeveer een vijfde meer dan in de vorige planningsperiode, waarin de investeringen toen samen werden geraamd op iets meer dan 14 miljard euro.
Op 1 staat algemeen bestuur (23%), dat betrekking heeft op de werking en organisatie van het gemeentelijk bestuur zelf, zoals de administratieve dienstverlening. Op 2 staan alle uitgaven rond zorg en opvang (21%). En opvallend is dat veiligheidszorg tijdens de legislatuur stijgt naar een derde plaats (12%). Het gaat om uitgaven die te maken hebben met openbare orde en veiligheid op het lokaal niveau zoals de werkingssubsidies aan de politie- en hulpverleningszones.
De uitgaven in cultuur en vrije tijd zakken in 2031 naar een vierde plaats (11%), gevolgd door onderwijs (9%).
Absolute cijfers:
|
Algemeen bestuur
|
4,72 miljard euro
|
|
Zorg en opvang
|
4,26 miljard euro
|
|
Veiligheidszorg
|
2,32 miljard euro
|
|
Cultuur en vrije tijd
|
2,19 miljard euro
|
|
Onderwijs
|
1,85 miljard euro
|
Ontvangsten uit boetes stabiliseren
Tijdens de vorige legislatuur (2020-2025) stegen de boete-inkomsten sterk, van 50 miljoen naar 177 miljoen, ofwel x3,5. In de meerjarenplannen 2026-2031 blijven de verwachte ontvangsten stabieler. In 2026 zouden gemeenten samen zo'n 193 miljoen euro uit boetes halen, tegen 2031 zou dat maximaal 206 miljoen euro zijn. Het aandeel van GAS-boetes voor lichte snelheidsovertredingen bedraagt daarin jaarlijks zowat 60%. De overige GAS-boetes komen vooral uit inbreuken voor parkeren en het schenden van autoluwe zones en lage emissiezones.
Toenemende algemene werkingssubsidies
Langst de ontvangstzijde zullen gemeenten deze legislatuur zo’n 30 miljard euro aan algemene werkingssubsidies uit Vlaanderen ontvangen. Die werkingsmiddelen stijgen met 17% deze legislatuur, dankzij de jaarlijkse groeivoet van 3,5% die Vlaanderen garandeert.
Meer en meer gemeenten werken met gedifferentieerde opcentiemen
Uit een eerste analyse van de al ingediende belastingreglementen blijkt dat het merendeel van de gemeenten de opcentiemen op onroerende voorheffing niet verhogen. Ook de tarieven van personenbelastingen blijven relatief gelijk tegenover vorige legislatuur.
Sinds 2019 hebben gemeenten de mogelijkheid om binnen hun grondgebied de gemeentelijke opcentiemen te differentiëren. Hiermee kunnen ze in plaats van enkel een basistarief te hanteren, het tarief van de onroerende voorheffing laten variëren bv. per buurt, of volgens categorie belastingplichtige (bv. bedrijven en particulieren). Op deze manier kan een gemeente ervoor zorgen dat wie meer heeft, ook meer bijdraagt. Eigenaars met een hoger kadastraal inkomen betalen dan meer onroerende voorheffing, zodat de sterkste schouders de zwaarste lasten dragen.
Sindsdien maken 12 gemeenten hiervan gebruik: Antwerpen, Beveren - Kruibeke – Zwijndrecht, Dilbeek, Geel, Gistel, Herk-de-Stad, Kruisem, Londerzeel, Puurs - Sint-Amands, Sint-Katelijne-Waver, Sint-Pieters-Leeuw en Ternat.
Intussen legden nog 17 andere gemeenten hun voorstel aan minister Crevits voor: Boechout, Dendermonde, Heusden-Zolder, Kapelle-op-den-Bos, Kaprijke, Kontich, Leuven, Lier, Lint, Pelt, Putte, Ranst, Ternat, Wemmel, Wijnegem, Willebroek en Zele.